1.
Welkomstkorting
Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig. Met
vingeroefeningen en post bijvoorbeeld. Ik heb geleerd die twee karweitjes gelijktijdig
af te handelen, om er zo snel mogelijk vanaf te zijn. Je opent alle brieven,
zet ze achterelkaar op de lessenaar en leest ze aandachtig door, terwijl je
vingers ondertussen iets voor zichzelf mogen doen. Als je het vel omdraait,
schuiven ze één toonsoort op. De post als schijnpartituur. Het is een oude truc
van Clara Schumann, die overigens veel spannendere brieven kreeg dan ik.
In de portiek scheidde ik
vanmorgen de post van de reclame. Er was een Thaise bezorgdienst in mijn wijk
gekomen, ik had een halve ton in een loterij gewonnen, de vissticks waren in de
aanbieding. Dat waren op zich vrij gunstige ontwikkelingen, maar één brieflogo
beloofde minder beste tijdingen: Politie
Amsterdam-Amstelland, district vijf.
Ik wist waar het om ging. Het kwam
niet helemaal uit de lucht vallen. Het had natuurlijk met een vrouw te maken,
zoals nagenoeg alle problemen die mannen zich op de hals halen.
Ik zette de brief op de
lessenaar en ging op het krukje zitten. Beethoven staarde me vermoeid en een
tikkeltje bezorgd aan vanaf de litho boven de piano. Het schijnt dat Beethoven
altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon, en
daar is wel wat voor te zeggen. Zoals: het klavier ligt voor je, languit, als
een vrouw, onder het dunste zijde. Met je palmen glijd je over het landschap
van haar ribben en wrijf je de naakte huid tevoorschijn. Je voelt de randen van
de toetsen, je hoort het doffe geratel waarmee ze terugvallen, een voor een.
En langzaam wordt ze wakker. Je
ziet het aan haar ademhaling, voelt het aan toetsen die tot leven komen. Ze
draait zich om, nog slaperig eerst, en gloeit dan, naakt, warm op je palmen. Je
voelt en weet hoe ze vraagt naar meer, hoe ze vingers vraagt, die je optilt in
gevechtshouding, terwijl de lucht zich laadt tussen je vingertoppen en haar,
die oor en stem ineen is.
‘Ik geef je een tramkaart,’ zei Victoria, toen ik haar een paar
uur kende. ‘Voor naar het station.’ Uit haar lange suède jas met witte slierten
aan de mouwen haalde ze er een tevoorschijn die aan twee kanten was te
bestempelen.
‘Ik heb er nog maar één ritje mee gemaakt dus you go boy, all the way to Manhattan!’
We stonden bij de
tramhalte naast het Concertgebouw. Het was half zes ’s ochtends, het tijdstip
van krantenjongens, hondenbezitters en bezemwagens.
Ze vroeg: ‘Kun je
me vingeren?’
Later zou ze op dezelfde hebberige toon vaak dingen vragen als:
‘Zullen we pannenkoeken gaan eten met perenlikeur?’ Of: ‘Hebben jullie ook
autodrop?’(in een tapasrestaurant aan de Rozengracht). Victoria was grillig in
haar onvoorspelbare verlangens. Ik heb regelmatig in avondwinkels gestaan om te
vragen naar dadels, lychees of een auberginewortelquiche.
‘Nu? Hier?’
‘Om het te
vieren. Om te vieren dat we elkaar hebben ontmoet.’
Ik kon me niet herinneren ooit een ontmoeting te hebben gevierd,
laat staan op zo’n onorthodoxe manier.
Na afloop trok ze haar schoenen uit en klom ze het bankje op. Ze
droeg sokken met gele en roze strepen.
‘Je belt me toch wel?’ vroeg ik.
Als je in Amsterdam iemand ontmoette, moest je onmiddellijk
telefoonnummers uitwisselen omdat de kans dat je elkaar zomaar toevallig weer
tegenkwam even groot was als de kans dat je fiets ergens na twee maanden nog
stond. Vingeren gaf geen garanties. Op mijn simkaart slingerden al genoeg namen
en nummers rond van mensen die ik nooit zou terugzien, kleine grafzerkjes van
twintig digits. Haar wilde ik niet verliezen. Het toeval, hetzelfde toeval dat
ons in dit tramhokje had gebracht, wilde echter dat mijn batterij leeg was,
zodat zij wel mijn nummer had maar ik dat van haar niet. Pijnlijk helder raakte
ik ervan doordrongen dat onze glanzende toekomst in haar handen lag.
‘Ik moet wel,’ zei ze. ‘Je hebt
m’n tramkaart nu.’
‘Ah, het is een onderpand…’
Het meisje dat ik zojuist gevingerd had schoot in de lach.
‘Ónderpand? Wat gebruik jij toch woorden jongen.’
Toen ik op het treeplankje van de tram stapte zei ze: ‘Kijk eens
naar me.’
Ik draaide me om en keek naar haar.
‘Ik wil dat je goed naar me kijkt.’
Haar ogen stonden nu vrij ernstig, als van iemand die van plan was
een verschrikkelijke mededeling te doen.
‘Het is heel gek. Ik ken je nu pas een paar uur…’ zei ze. ‘Maar ik
heb echt het gevoel dat ik je beter ken dan wie dan ook.’
Vandaag, vrijwel op de dag nauwkeurig twee jaar later, zijn er
aanwijzingen dat de zaken er iets minder glorieus voor staan. Bewijsstuk nummer
één lag voor me. Ik opende de brief, met dat mengsel van lijdzaamheid en
nieuwsgierigheid dat de klappen van het lot soms iets dragelijker maakt, en zette
een b-klein tertsladder in.
Datum: maandag 29 april 2002
Onderwerp: ontbieding op het
bureau
Geachte hr. S. Steijn,
Hiermede verzoek ik u om op
maandag 6 mei 2002 te 10.00 uur te verschijnen in het bureau van politie aan de
VAN LEIJENBERGHLAAN 15 te 1082GC AMSTERDAM, teneinde te worden gehoord terzake
belaging.
U wordt verzocht deze brief mee
te nemen, evenals een geldig legitimatiebewijs (paspoort, rijbewijs).
Indien u verhinderd bent, kunt u
ook ruim voor het vermelde tijdstip TELEFONISCH contact opnemen. Mocht ik op
dat moment niet te bereiken zijn, gelieve u uw telefoonnummer door te geven,
zodat ik later alsnog contact met u kan opnemen.
Hoogachtend,
H.H. Oostra (13706)
Agent 13706 gebruikt initialen in plaats van zijn voornaam,
waarschijnlijk zodat hij op die manier zijn slachtoffers onder aan elke brief
triomfantelijk in het gezicht kan uitlachen. Daarnaast moet het
caps-lockvertoon in combinatie met wat rake archaïsmen het hele epistel van een
dreigende klankkleur voorzien. Waar de schrijver, dat moet ik hem nageven, knap
in geslaagd is, want volledig op mijn gemak voel ik me niet.
Op een ochtend lag ik in bed. Victoria kieperde een stapel kleren
uit haar kast, en begon er enthousiast in te rommelen. Op nogal agressieve toon
zei ze: ‘Flikker toch op met je fifty ways to leave your lover.’ Ze ging een
van de vriendjes die haar leven passeerden voor het laatst zien. ‘Er zijn er
maar twee. Uit de trein springen of eerst wachten tot ie stilstaat. Luister
je?’
Ik luisterde. Ze was, daar kwam het kort gezegd op neer, nu al zo
vaak gesprongen, dat ze wel eens wilde proberen hoe het beviel om eerst aan de
noodrem te trekken.
Ze poseerde voor zichzelf in de spiegelende schuifdeur van haar klerenkast,
in een zwart jurkje dat ze weer uittrok. Ik ging rechtop zitten om haar borsten
te kunnen zien. (Haar prachtige borsten, daarover hoop ik in de loop van dit
relaas nog veel te zullen spreken)
‘Ik ben daar
geloof ik niet zo goed in,’ zei ik, ‘in dat springen.’ Ze wurmde zich weer in
een volgend model, dat sterke gelijkenissen vertoonde met het eerste, en zweeg.
‘Jij kan dat,’ drong ik aan, ‘genadeloos zijn, en hard. Ik kan dat
niet.’
‘Dat komt,’ zei ze, geërgerd, alsof het iets was waar allang algehele
consensus over bestond, ‘omdat jij een vrouw bent en ik een man.’ En ze liep de
deur uit om een relatie te gaan beëindigen.
Kennelijk beviel de nieuwe
tactiek maar matig, want bij mij, niet veel later, ging ze weer terug op de springmethode.
Het is een gekke gewaarwording als je coupégenoot ineens uit de trein is
gesprongen. Je waagt dan toch nog maar een telefoontje naar degene die in het
weiland ligt na te rollen. Al was het maar om opheldering te krijgen over de
motieven van de sprong en het eventueel daardoor veroorzaakte letsel. Ik bleef
het vermoeden houden dat bepaalde zaken, al met al geen futiele details, niet
echt waren uitgesproken. In voicemailteksten en sms-berichten drong ik aan op
een reactie. Nu eens in poëtische, dan weer in prozaïsche bewoording, of nou
ja: van allerliefstlievelingsminimeisje tot zaadgragechlamydiahoer.
Mijn trein was inmiddels in Florence aangekomen. Ik volgde een
taalcursus aan de Via Pandolfini en had een kamer aan de Via dei Bardi. Vanuit
het bed in mijn slaapkamer keek ik recht op de Arno uit. Ik stelde Vicky per
sms op de hoogte van mijn prille taalvorderingen. ‘Ciao bellissima Vittoria, vorrei andare
al lete con te.’
Toen ik op een avond terugkwam, zei Vicky’s voicemail dat ze een
nieuw telefoonnummer had.
‘Hallo allemaal, dit is een berichtje van Vicky. Ik heb alweer een
nieuw telefoonnummer. Wil je het weten, dan moet je even jouw naam en jouw
telefoonnummer inspreken, dan ga ik je zo snel mogelijk terugbellen om het je
te vertellen. Oké, groetjes!’ Ik sprak mijn naam en nummer in. En nog een keer.
En nog eens.
En daarna weer een keer of zes. Zeven misschien. Acht kan ook.
Ik hing op en belde direct opnieuw naar Nederland, met de mededeling: ‘Leven kan ik alleen met jou of anders in het geheel niet. Bel me en zeg iets, het maakt niet uit wat, al is het het recept voor eierkoeken, maar spreek! Spreek, of ik spring van de Ponte Vecchio. Wil je dat ik dat doe? Is dat wat je wilt? Dat ik van de Ponte Vecchio spring?’
Vooruit, ik liet me een beetje meeslepen, maar we waren in Italië,
nietwaar, het land waar je niet kinderachtig was met het uiten van je
gevoelens. Buiten troonde de koepel van de Duomo vredig boven de stad uit. De
maan scheen. Verliefde stelletjes - of nou ja, in elk geval stelletjes, de rest
wist je maar nooit - liepen onder mijn raam over de Lungarno Torrigiani.
De volgende avond stuurde ik een sms: ‘Jouw zwijgen pijnigt mij.’ En de avond daarna: ‘Pace non trovo e non ho da far guerra.’ Meesterlijk door Liszt op muziek gezet trouwens, laten we dat niet
vergeten. Laten we dat in godsnaam niet vergeten.
Victoria belde niet terug. Wel stapte ze het politiebureau bij
haar in de buurt binnen (op hoge hakken, die holle galm sloegen uit de
gladgepoetste vloer). Gewapend met haar mobieltje vol bewijsmateriaal stond ze
aan de balie om aangifte te doen van stalking
(‘belaging’ voor de fijnproevers).
Artikel 285b. Victoria Fabers kende haar klassiekers, al was deze
pas aangenomen in het begin van de nieuwe eeuw, die gelijk al een paar flinke
opdonders had gekregen.
Vaak denk ik dat
het geen toeval is dat het allemaal min of meer tegelijkertijd in de wereld is
gekomen: verdubbelde horecaprijzen, massaterrorisme en artikel 285b.
1. Hij die wederrechterlijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke
levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet
te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan
belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
een geldboete van de vierde categorie.
2. Vervolging vindt niet plaats
dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.
Nee, dat moest er
eens bijkomen. Als ze iedereen zouden oppakken die met zekere stelselmatigheid
eens anders voicemail insprak, dan kon de hele wereld evengoed gelijk één grote
gevangenis worden.
Ik heb de stand
van de planeten tegen. Dit jaar zijn er nieuwe beleidsregels uitgevaardigd die
‘huiselijk geweld’ tot speerpunt van justitie maken. Elke klacht leidt in
principe tot een zitting, daar komt het kort gezegd op neer. Nu kun je van mijn
tijd met Vicky veel zeggen, behalve nu juist dat zij huiselijk was, maar de beleidsregels van het Openbaar Ministerie,
die ik op internet vond, zijn onverbiddelijk:
Huiselijk geweld is geweld dat door iemand
uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd. Hieronder vallen
lichamelijke en seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging (al dan niet
door middel van, of gepaard gaand met, beschadiging van goederen in en om het
huis). Zie bijlage 1 voor een overzicht van toepasbare strafbepalingen. Als
verdachten van huiselijk geweld kunnen worden aangemerkt: (ex)partners, gezins-
en familieleden en huisvrienden. Verdachten en slachtoffers kunnen mannen en
vrouwen zijn, en kunnen kind of volwassene (waaronder ouderen) zijn.
Bijlage 1 was nergens te vinden. Ik sloot de computer af, nadat ik
op 9292OV.nl de route had gecheckt naar mijn afspraakje met agent 13706. Clara
Schumann kreeg tenminste nog aardige brieven van Brahms.
Ik liet de nieuwe Thai langsrijden. De bezorger hield zijn helm op
bij de overhandiging van de spijzen. Wel vroeg hij vier euro minder dan de
folder vermeldde.
‘Welkomstkorting meneer,’ klonk het uit de helm.
Het eten was niet schrikwekkend lekker of vies. Het was gewoon gemiddeld,
zegmaar. Bovendien moest meegewogen worden dat ik welkomstkorting had
ontvangen. Ik wilde Victoria bellen. We belden elkaar vaak als we nieuwe
woorden hadden opgepikt.
In bed stelde een smsbericht op met de tekst: ‘Ik kreeg vier euro welkomstkorting van de nieuwe Thai. Er is iets mis met een wereld waarin bezorgers hun helmen op houden. Trouwens: ik kreeg een brief. Ik ga gehoord worden. Dank, mis en bemin je.’
Toen ik op dezelfde Ericsson R600 mijn wekker instelde,
realiseerde ik me dat het morgen bevrijdingsdag is.
Uit:
Christiaan Weijts: ART. 285b. Uitgeverij
De Arbeiderspers, Amsterdam 2006. € 15,95